Ik begrijp niet waarom jij geen lid bent bij ons!

Door: Koos Jonker

Voor mijn achttiende verjaardag kreeg ik een tweedehands kano waarmee ik dikwijls op zondagmorgen vanuit Oostgraftdijk het Wormer- en Jisperveld introk. Even voorbij Spijkerboor trok ik mijn vaartuig dan over de kanaaldijk en genoot vervolgens van alles wat in het veld op mijn pad kwam.

Om de paar uur moet een mens eventjes de benen strekken en dan zag ik soms de nesten van de weidevogels. Eieren rapen was er niet bij. En toch kreeg "het gezag" me te pakken… en dat zit me na al die jaren nog steeds niet lekker. Politieman Duursema was erg streng in de leer. In Jisp ging het verhaal dat hij zelfs zijn vrouw bekeurde als ze kleedjes klopte buiten de tijden die de gemeenteverordening toestond. Duursema dook van achter een rietkraag op en ik kreeg een bekeuring omdat ik me "in zoekende houding" op het grasland had begeven.

Ballotage in de jaren 60

In februari 1961 verhuisden we naar Wormer en de inmiddels stokoude kano ging mee. Mijn club was de Vogelwerkgroep Noordhollands Noorderkwartier en ik voelde geen behoefte om ook lid te worden van de Zaanse Vogelwacht, vooral omdat er daar gestemd zou worden of men je wel toelaten als lid. Moest ik dan smeken om lid te worden? Kom nou!
Op een keer sprak Martien Roos me aan en hij vertelde mij dat de ballotage was ingesteld omdat anders de mogelijkheid bestond dat jagers wel eens teveel invloed zouden kunnen krijgen. Maar dat gold natuurlijk niet voor mij.
Dus maar lid geworden, al stond de rem er nog steeds op: ik herinner me een vergadering waar een vader echt heel boos werd omdat zijn twee zonen, die allebei een opleiding volgden in natuurbeheer, toch eerst geballoteerd moesten worden.
In een oud notitieboekje vond ik de eerste aanwijzing van mijn lidmaatschap: '23-11-1968 excursie Balgzand met Vogelwacht Zaanstreek.' Uit datzelfde boekje: '6 op 7 juni 1969: Vogelwacht Zaanstreek met 10 man onderzoek naar kwartelkoning van 23 tot 2.30 uur. Negatief. Overheersend geluid in de nacht: Kikkers.'

Koffiedik kijken in de jaren 70

Lepelaar

Lepelaar; ©Kees de Jager

Er veranderde wat toen op 20 mei 1970 aan de Middenweg in de Starnmeer een grote man bij me stopte die me vroeg of ik daar wel eens lepelaars zag. Die grote man was bioloog Ernst Poorter die me vertelde dat hij voornamelijk bezig was met een onderzoek aan in Nederland broedende lepelaars. Hij mocht mijn waarnemingen gebruiken en dat was het begin van een jarenlange samenwerking.
Begin jaren 70 was ook de periode dat er wel erg veel grutto's in de Zaanstreek broedden. Van diverse deelgebieden waren al redelijke schattingen gemaakt, maar voor de rest leek het op koffiedik kijken. Neem bijvoorbeeld de Kalverpolder: bruto oppervlakte bekend, daar trekken we bebouwing, water en riet van af, de rest is grasland. Eén paar grutto's per hectare, klaar. "Da's veel te veel", zei ik. "Niet van dat benauwde", zei Herman Rijst, "als jij het beter weet dan hoor ik het wel."
Met een groepje werd een systeem uitgewerkt dat we betitelden als 'Weidevogelinventarisatie volgens de perceelmethode'. Vergeleken met nu was dat heel erg eenvoudig… maar het werkte wel! Blijkbaar was er op dat gebied landelijk ook nog niets ontwikkeld, getuige het feit dat Syb de Witte en ik nog eens voor een groep biologie studenten van de Universiteit van Amsterdam in een zaaltje van Artis uitleg hebben gegeven over de onderzoeken waarmee we in de Zaanstreek bezig waren.

Klomp-met-mast

Intussen ging het werk aan de lepelaars gewoon door. Ernst wilde naar de Banc d'Arguin, een beschermd waddengebied voor de kust van Mauritanië. Je hebt daar eilanden van verschillende grootte en een deel van de in Nederland broedende lepelaars zou daar overwinteren.
In het gebied waren geen wegen en varen-op-de-motor was strikt verboden.
In Nederland hadden we kennis gemaakt met een jongeman die op Tenerife een zeilboot bezat en met ons wel in zee wilde gaan. Alles leek goed afgesproken. Via een overnachting op Gran Canaria en de veerboot naar Tenerife vonden we een taxichauffeur die na enig aandringen bereid was ons van noord naar zuid over het eiland te vervoeren. Daar was de jachthaven te vinden waar de boot zou moeten liggen.
De nacht was al gevallen toen we in de haven arriveerden, alles was in diepe rust. Na wat gebrul van mijn kant doken er een paar vage figuren op uit een soortement klomp-met-mast… ons vaartuig.
Toen we de volgende morgen uitvoeren, stond een jonge vrouw op de kade naar onze schipper te roepen dat hij naar de dokter moest… want zij had iets opgelopen!
Buitengaats kon het zeil niet goed worden gehesen: er bleek een losse lijn om de schroef heen gewikkeld te zitten. De schipper moest duiken om de boel te ontwarren.

Op ramkoers

Dicht onder de kust voeren we naar het noorden. Daar moest de werf zich bevinden waar het onderwaterdeel van de boot gereinigd zou worden, want ondanks gemaakte afspraken was dat nog niet gebeurd. Ook had de schipper nog geen proviand ingeslagen, alleen een kist rijpe tomaten want die waren zo goedkoop!
In de loop van de dag hoorden we hoe onze schipper in zijn levensonderhoud voorzag: goederenvervoer van de Marokkaanse kust naar de Canarische eilanden. "Als ik op Tenerife ben, komen twee plaatselijke politieagenten regelmatig bij me op de koffie terwijl ze geen idee hebben wat er onder de vloer van de kajuit opgeslagen ligt."
Op de werf waren we niet welkom, iedereen had 't te druk. We besloten de oversteek te maken naar Gran Canaria. Om beurten hielden we de wacht. "Ik ga nu eerst een paar uurtjes slapen. Dit is het kompas en dat is de koers die je moet aanhouden", luidden de aanwijzingen van de schipper.
Een Oostzaner jol heeft voor mij geen geheimen, maar dit was wel even wat anders. Weinig wind, maar wél een hoge deining op de oceaan. Het ene moment zat je met de varende klomp in een dal en dan weer op de top van een golf. Eén keer moest de schipper ingrijpen, toen we op ramkoers leken te liggen met een grote tanker.

Toen we de volgende dag aangeland waren, zeiden we tegen elkaar: "Dit is niks en het wordt ook niks." Terwijl de schipper op weg was naar een dokter, ging Ernst op zoek naar een hotelletje en toog ik naar het KLM-kantoor om een vlucht te boeken voor de volgende morgen. Vanaf dat moment liep alles op rolletjes.
Of we nog wat hebben gezien? Nou, geen lepelaars, maar wel Kuhls pijlstormvogels en vliegende vissen. Dát was in 1975; tijdens de rest van dat decennium is er voor mij erg veel gebeurd, maar dat past niet in dit verhaal.

Onder de dekens

De fabriek zou gaan sluiten, papieronderzoek was niet meer nodig. Ik zou per 1 november worden ontslagen maar hoefde vanaf 1 juli niet meer te komen. Dat gaf ons tijd om een lepelaarsonderzoek in Senegal voor te bereiden, dat de komende winter moest plaatsvinden. Ernst, die inmiddels internationaal bekend stond als serieus onderzoeker, wist een belangrijk bedrag los te peuteren van het Prins Bernhard Fonds en ik vond nog wat in het Fondsenboek. Verbazingwekkend wat daar allemaal in te vinden was. Er bleek zelfs een fonds te zijn voor 'ongehuwde behoeftige dochters van hervormde predikanten'.
We hielden de reis naar Dakar zo goedkoop mogelijk: per trein naar Frankfurt, dan met Aeroflot naar Moskou, met een tussenstop in Boedapest. Op het vliegveld in Moskou werd ons gevraagd of wij daar wilden blijven zitten wachten of dat we naar het hotel wilden. Die "wij" waren Ernst Poorter, Koos Jonker en Jan van de Kamp. We kozen ervoor om in het vliegtuig te blijven, voor een korte slaap, want we hadden geen rekening gehouden met het tijdsverschil van vier uur.
In het vliegtuig richting Moskou zat Jan schuin voor mij. Hij was een jaar of twintig jonger dan ik, had zijn studie biologie niet afgemaakt, was nu bezig met een opleiding tolk/vertaler Frans en had al veel in Senegal en Mali rondgezworven. De mooie buurvrouw naast hem was op weg naar haar verloofde, zo zei ze. Nadat er dekens waren uitgedeeld, verdwenen Frans en zijn buurvrouw daar al gauw samen onder, om pas bij zonsopgang weer tevoorschijn te komen.

Koetjesrepen

Zwarte wouw

Zwarte wouw; ©Kees de Jager

We waren ver van huis maar leken toch ook dichtbij: op straat in Dakar liep een jongeman te leuren met… koetjesrepen uit Wormerveer.
Het vinden van een hotel was een probleem: er werd een groot internationaal congres in de stad gehouden en daarom had de overheid al de vacante kamers gevorderd.
Voor mij voelde het allemaal wel prima: op 1 november ontslagen en 23 november in Dakar!
In een rommelig cafeetje zaten drie jonge vrouwen die contact probeerden te maken. Jan vertelde hen over de moeite die we hadden om een slaapplaats te vinden. Nadat Jan aan de bar flink in zijn kruis was getast, zeiden ze dat er voor één nacht nog wel een kamer vrij was. De deur van het hotel stond open; de kamer was ruim maar het rook er vreemd. Naar apen, dacht ik. De hele nacht gingen deuren open en dicht. Die rare geur was niet afkomstig van apen… maar van seks!
Dakar: wat vloog er in de stad? In de avond zagen we honderden grote vleermuizen, vliegende honden, uitvliegen en in de vroege ochtend waren het tientallen zwarte wouwen die, laagvliegend, de straten afstroopten, op zoek naar voedselresten.

Twee bekeuringen

We huurden een knap autootje waarbij in de garage werd gezegd: "Niet in de kram-kram, hoor!"
Wij zeiden ja, ja, oké, maar we hadden géén idee. We kwamen er al gauw achter! Kram-kram bleek een grassoort te zijn met hardnekkige zaden die zich overal aan hechten. Al onze kleding zat ermee vol en dat gold ook voor de auto.
Het verkeer in de stad reed stapvoets. Ernst, zoals vaak, en ook toen, snel aangebrand, riep: "Ik zal die negers eens leren rijden!"
Na een paar honderd meter werden we door de politie gemaand te stoppen: "De maximum snelheid bedraagt hier 30 kilometer per uur en iedereen houdt zich daaraan. En als je dan iemand gaat passeren, zoals wij bij u hebben geconstateerd, dan rijd je dus te hard!"
Een aanbevelingsbrief van de ambassade leek te helpen, we kregen geen bon, maar konden wel cash afrekenen.
Een paar uur later kregen we alsnog een bekeuring-met-bon omdat we met 4 wielen in de berm stonden. Met twee wielen mocht weer wel.
De daaropvolgende twee maanden reden we net als de Senegalezen: ‘rustig aan’.

Wipje omhoog

We waren op weg naar Saint-Louis, aan de monding van de Senegalrivier. Aan de overkant van de rivier ligt Mauritanië. We hadden adressen maar moesten eerst nagaan of we er wel met vijf man konden verblijven.
Ernst had een plan uitgewerkt. De schrijver Koos van Zomeren maakte destijds voor het weekblad Nieuwe Revu reportages over natuurgebieden. Was dat misschien wat voor ons ? Men was bereid om de schrijver en een fotograaf te sturen en als wij dan voor onderdak konden zorgen, dan zouden ze een mooi bedrag aan ons overmaken. De directeur van de Nationale Parken gaf ons zijn zegen. Ik moest erg mijn best doen om niet in lachen uit te barsten want in postuur, woord en gebaar leek de man erg veel op de destijds populaire komiek Piet Bambergen!
Het diende natuurlijk wel een serieus onderzoek te worden.
In Saint-Louis konden we terecht bij de vliegclub om lepelaars op te sporen. De secretaris van die club was wiskundeleraar die precies volgens de regels vloog. De voorzitter, een hotelier (die ook jager was) had vooral interesse in een groot gebied aan de Mauritaanse kant, dat door Air France voor de jacht was gepacht. De piloot vloog zo laag als maar mogelijk was over dat verdorde gebied met af en toe een boom. Een acaciaboom recht vooruit? Dan even een wipje omhoog. Het leek net of we in een racewagen over het terrein scheurden. Geen huizen, geen tenten, maar wel een wandelaar in een blauw gewaad, op weg naar…?

Klaas Wormer

Na een korte aanloop verliep het onderzoek op rolletjes. Koos van Zomeren kwam en maakte een uitgebreide reportage over lepelaars en problemen in de delta. Zijn verslag in de Nieuwe Revu verscheen niet lang erna, in maart 1981. Pikant detail: op een van de foto's in het blad zie je mij lopen… slechts gekleed in een minuscuul onderbroekje.
Later schreef Koos me dat hij van plan was om zijn aantekeningen uit Senegal te gebruiken voor een roman. Dat werd 'Otto's oorlog' dat gepubliceerd werd in 1983 en ter ere van zijn 50-jarig schrijverschap herdrukt in 2017. Het meeste van wat er over ons in staat is waar gebeurd, al zijn wel onze namen veranderd. Ernst Poorter werd Hans Lelieveld en ik werd Klaas Wormer.

Koos Jonker in Senegal

Wrattenzwijn

Dit is geen onderzoekverslag, het zijn herinneringen die af en toe boven komen drijven. Zoals het nachtelijk dat opsteeg van de vuilnisbelt achter ons kampement in Nationaal Park Djoudi, afkomstig van de jakhalzen die het terrein afstruinden op zoek naar etensresten. En in de ochtend de ver dragende roep van de West-Afrikaanse rivierarend. Palmtortels kwamen tot op de drempel van onze rieten hut.
Plaatsvervangende schaamte was er ook. Rond de kerstdagen werden we uitgenodigd voor een diner bij de beheerder van het ecologisch station in Richard Toll, een plaats in het noorden van Senegal. Het leek of we terug waren in de koloniale tijd. Het luiden van een tafelbel waarop een zwijgende huisknecht, met schalen beladen, naderbij schuifelde. Het hoofdgerecht smaakte prima, dat wel… wrattenzwijn.
Toen we eind januari weer naar huis wilden, werd ons verteld dat de wekelijkse vlucht naar Moskou niet doorging. We zagen ons nu genoodzaakt extra kosten te maken voor onderdak en autohuur. Een week later bleek het vliegtuig bijna vol te zitten met Russische visserslui die met verlof gingen. De hen aangeboden thee werd afgeslagen onder het mom van "we hebben eigen thee". Daar werden ze eerst vrolijk van en vielen ze vervolgens van in slaap…

Bemanning van diverse pluimage

In Parijs hadden we al balgen [een balg is een afgestroopte vogelhuid of een opgezet dier; redactie] bekeken van de ondersoort Platalea leucorodia Balsaci, de lepelaar die broedt op de Banc d'Arguin, het beschermde waddengebied voor de kust van Mauritanië. Dáár wilden naartoe en op 18 december 1985 togen we op weg.
In een verbouwde Fokker Friendship, met grote ramen en tafels met stoeltjes, vlogen we van Nouakchot naar Nouadjibou, een kustplaats met een haven die vol lag met scheepswrakken, waar de aanvoer plaatsvond van fosfaat en ijzererts met tienkilometerlange treinen.
Daar lag de Sirius, een omgebouwde Vlaardinger viskotter van een Nederlandse reisorganisatie. De kapitein was een Nederlandse journalist, de stuurman een Griekse visser die in een zigeunerorkest gitaar had gespeeld, de machinist was een Amerikaan die profbokser en taxichauffeur was geweest, en de matroos was een Engelse jongeman die net van de zeevaartschool was gekomen. De kok was een vrouw, telg uit een Haarlems modehuis en de vriendin van de kapitein, een manusje van alles, afkomstig uit Curacao. Ook aan boord Kees Hazevoet, bioloog en voormalig (én berucht) jazzpianist. In 1972 kreeg hij de Wessel Ilcken Jazzprijs toegewezen en nu was hij ingehuurd als natuurgids.

Storm op zee

Op eerste kerstdag gingen we op theevisite in Iouik, een gehucht van de regionale vissersstam de Imraguen, aan de rand van het vasteland. We hadden de chef-conducteur van het Nationale Park bij ons, die kon onderhandelen over de huur van een vissersboot. Bij de thee kregen we zanderige gedroogde vis die in een potje olie werd gedoopt.
En de Sirius? Die lag nog hoog en muurvast op het wad.
Ingrid de kok had een voortreffelijk diner bereid. Kees Hazevoet: "Ik vreet me helemaal ongans." De volgende dag was hij ziek.
Tweede kerstdag, de dag waarop met de vissers was afgesproken dat ze precies om 08.00 uur zouden langskomen, maar wat waren wij dom! Die mensen hadden geen klok, ze wachtten gewoon op hoog water.
We gingen op weg, wind in de rug. In de loop van de ochtend kwam er een buienfront over waarin tenminste vier waterhozen zichtbaar waren. Ineens zaten we er middenin. Binnen tien seconden moet het anker uit en het zeil neer. Windkracht van zo'n 8 à 9 Bft. Twee uur lang lagen we voor anker, toen zwakte de wind weer wat af. Later hoorden we dat er tijdens de storm twee boten waren omgeslagen waarbij twee vissers werden vermist.

Op het eiland Tidra dat ongeveer net zo groot is als Texel en troffen we het tentenkamp van de Imraguens, domicilie van het stamhoofd. We werden officieel ontvangen met rondjes thee met gedroogde vis en gedroogde hommen, als bonbons. Uit een koffer in een hoek van de tent werden enkele nieuwe lakens tevoorschijn gehaald. Het was de bedoeling dat we aan de wal zouden slapen, een weinig prettig vooruitzicht omdat alles met vliegen was overdekt, vliegen die op de vissenkoppen afkwamen. We kookten aan boord, op een fornuis dat gemaakt was van de velg van een autowiel, waar een stuk blik in lag. Daarop werd het houtskool (dat zich aan boord bevond) gestookt.

Een bijzondere oudejaarsavond

Cheddid, een onbewoond eiland, bereikten we op 29 december. We dienden eerst een halve kilometer met onze bagage door het slik te baggeren voordat we aan wal konden. Op deze plek rustten circa 400 lepelaars met jongen, op het oog allemaal Platalea leucorodia Balsaci.
Ook troffen we er… jakhalssporen.
Op het strand maakte ik een vuurplaatsje. De pan werd op een stellage van stinkende pelikanenbeenderen geplaatst. Schitterende, maanlichte nacht; toen we twee flessen wijn hadden geleegd, geloofden we dat we ergens in de hemel zweefden.
Op 30 december sliepen we met z'n allen op het strand van Kiji om de daaropvolgende dag gratis gezandstraald te worden door een zandstorm. Op oudejaarsdag gingen we richting Aral, een eiland met rotsen waar veel vogels "overtijen". Een dichte zee-mist zorgde ervoor dat we niet verder konden kijken dan 100 meter: de bootsjongen werd naar de voorplecht gestuurd om op de uitkijk te staan. Als die z'n hand opstak, ging het anker uit. Wat zag hij wat ik niet kon zien? De bemanning dankte Allah. Bij het bidden moesten ze met hun hoofd de grond raken. Voor dat ritueel was er speciaal een platte bak met zand in de boot geplaatst.
Toen de bemanning om half negen ging slapen, begonnen Ernst en ik oudejaarsavond te vieren. We verwarmden een blik knakworstjes, maakten kreeftensoep en we hadden nog een rol koekjes.
Voor deze speciale avond hadden we van de Sirius een fles champagne meegekregen en zo werd het een heel bijzondere oudjaar, een viering die we fluisterend ondergingen. Vóór middernacht lagen ook wij in de slaapzak en hoorden alleen nog maar de wind, de golven en af en toe een vogel.

Lepelaar uit de Wijde Wormer

Nieuwjaarsdag. Toen de mist optrok, zagen we de rots van Arel voor ons uit, met honderden pelikanen en met meer dan 3000 lepelaars.
Op 3 januari keerden we weer terug in de haven van Nouadhibou, met 's avonds gitaarspel van Giorgos, Spaanse flamencomuziek. Giorgos was een tijd zeeman geweest en zo was hij in Spanje beland. Het afgelopen seizoen had hij in Amsterdam gitaar gespeeld in een zigeunerbar. Nu, voor het eerst sinds lange tijd, speelde hij voor ons als het ware de ziel uit zijn lijf.
Twee dagen later, 5 januari: harde wind en een hoge zee. Het schip ging onder zeil, rolde hevig op de golven, misselijkmakend.
De volgende dag voeren we door een zone met honderden middelste jagers, waarvan er zo'n 80 het schip begeleidden en aasden op afval.
De dag erop, 7 januari, moest het grootzeil een stukje neer, anders zouden we te vroeg in Saint-Louis aankomen. De loodsdienst aldaar bestond nog wel maar werd niet meer door de staat betaald. Dat betekende dat het ons 400 gulden kostte om aan wal te komen. We meldden ons bij de chef van de douane die ons naar het politiebureau verwees, waar we een stempel kregen.
Vijf jaar eerder waren we ook in Djoudj geweest en toen hadden we 70 kilometer moeten rijden vanaf Saint-Louis om er te komen. Nu maar 30 kilometer, omdat er een nieuwe weg was aangelegd. Op een groot meer zagen we duizenden zomertalingen dobberen die begonnen te ratelen als ze opvlogen, voor ons heel bijzonder gebeuren. Op een van de oevers lag een ruim drie meter lange krokodil, de bek wijd open. We herkenden een geringde lepelaar die we eens in een nazomer in de Wijde Wormer hadden gezien!

Spreeuwen

We zouden graag een truck willen gebruiken, maar van de Toyota waren een schokbreker en de radiateur los, een bladveer gebroken en de startmotor was niet aan de praat te krijgen.
Toen we bezoek kregen van een landmeter van baggerbedrijf Zanen Verstoep BV, die bezig waren met een baggerklus in de Senegalrivier liet deze ons weten dat hun monteur wellicht iets aan de wrakke truck kon doen. Die monteur noemde de Toyota een "gebakkie".

Zwarte wouw

Purperglansspreeuw; ©Kees de Jager

Een verschroeiende hete noordoosten wind deed een wervelende stofstorm ontstaan die het zicht volledig beperkte zodat we weinig konden doen. Op 18 januari troffen we in het Djoudj-park (van 16.000 hectare) een in Nederland, in 1985 van kleurringen voorziene grutto aan. In het piepkleine museumpje lag een ring van een in het Wormer- en Jisperveld geringde grutto.
Door het ontbreken van betrouwbaar vervoer kwamen we geregeld niet ver genoeg om aan ons lepelaar-onderzoek te doen. Dan maar eens achter de glansspreeuwen aan: we zagen twee soorten die erg veel op elkaar lijken, allebei met gele ogen en met een staalblauw verenkleed. Na wat leuk "uitvogelen" bleek het om de blue eared glossy starling, de groenstaartglansspreeuw, en de purple glossy starling, de purperglansspreeuw, te gaan.

Buffel aan de wijn

Meestal was Indiga Bindia onze begeleider. Hij was een Wolof, de belangrijkste bevolkingsgroep in Senegal, die daar een etnische meerderheid vormt. De vader van Indiga had zijn kinderen genummerd: Indega was nummer vijf. Hij had vier klassen lagere school doorlopen en sprak dus ook eenvoudig Frans, de officiële voertaal van Senegal. Na zijn militaire dienst was hij in dienst gekomen bij de nationale parken, waar hij opviel door zijn slimheid: al gauw was hij de gids als er belangrijke buitenlandse bezoekers waren. Nu had hij bij Franse jagers een bout van een wrattenzwijn losgepeuterd, een deel ervan gemarineerd en op een houtskoolvuurtje geroosterd. Heel smakelijk! Na het eten vertelde hij een verhaal over zijn vader. Zijn vader was een groot jager. Vanuit Casamance, een gebied in Senegal dat ingeklemd zit tussen Gambia in het noorden en Guinee-Bissau in het zuiden, ging hij in Guinee-Bissau jagen, dagenlang lopen om olifanten en buffels op te sporen. Op een dag was hij op het spoor van een witte buffel. Een vreeswekkende verschijning, een buffel die helemaal wit is. Toen hij het dier volgde bleek het palmwijn te drinken! Het sap van palmen werd op die plek afgetapt, vervolgens door goten naar een bak geleid waar het vergistte om uiteindelijk in palmwijn te worden omgezet. De jager verstopte zich in een kuil dichtbij de palmwijnplek en schoot de buffel. Toen het dier geraakt was, keek het onderzoekend in alle richtingen, liep in een grote kring om de jager heen en viel toen neer op 25 meter van de plaats waar het geraakt was.
De volgende morgen haalden dorpelingen het dier op en groot was hun verbazing dat een buffel helemaal wit kon zijn. Maar de vader van Indega werd hierna nooit meer normaal. Vanaf die dag was hij volkomen gek, maalde steeds over palmwijn drinkende witte buffels en stierf vijf jaar later.

Geladen revolver

Op 27 januari hoorden we het eerste tjiftjafgezang terwijl ik een fiets probeerde te repareren. Maar na 50 meter viel een crankspie eruit. Ach, zo ging dat daar, gelukkig was het mooi… totdat er een stofstorm opstak.
Een dag later vonden we een slaapplaats van 300 kwakken.
Ondanks de rotte auto, bereikten we op 29 januari het Lac de Guiers waar we kamp maakten en een vaartuig in gereedheid brachten. Onze chauffeur was bevreesd voor de hier wonende Peulhs, een nomadenvolk, en sliep met een geladen revolver naast zich. De volgende morgen had hij gebeden samen met een man van die stam en toen was het blijkbaar weer goed.
Bij het ontbijt kreeg ik van elk van mijn maten een rol koekjes voor mijn verjaardag: nooit had ik toch kunnen denken dat ik op mijn 55ste naast een rieten hut zou liggen en toegedekt zou worden door een zwangere negerin… omdat deze oude man moest rusten!
Het werden een paar mooie dagen om te vogelen. al lieten de lepelaars zich moeilijk benaderen. Maar wel een mooie plek met – bijvoorbeeld – naar schatting 12000 pijlstaarten, 3000 zomertalingen en 70 kluten. Het werd weer een week met van alles wat. Op het grote meer, het Grand Lac, zagen we zo'n 6000 à 8000 flamingo's .
Op 10 februari vlogen we eerst naar Casablanca en zonder problemen waren we de volgende dag weer thuis.

Terug in de Eilandspolder

Die zomer lieten we Indega Bindia, onze trouwe gids, voor een stage naar Nederland komen. Hij verbleef op Vlieland, in Lelystad en in Wormer.
In de oostelijke Eilandspolder wist ik een groep lepelaars te vinden, waarbij we met een geleende roeiboot dicht in de buurt konden komen. Indega zou ze wel eventjes besluipen, daar was hij een meester in: na een paar honderd meter was hij onzichtbaar. Een man in een baggerbootje zag het en riep naar mij: "Jij ben nog een echte ouwerwesse boer!"
"Hoezo?" vroeg ik.
"Nou, jij heb nog een slaaffie!"
Let wel, dat was 25 jaar voordat hier de zwartepietendiscussie begon.

Ter afsluiting een sprongetje in de tijd: 1994. Onze wederwaardigheden in Taiwan, aan het begin van dat jaar, bewaar ik nog maar even voor een later moment.
In het daaropvolgende broedseizoen deden we onderzoek op Vlieland, in april, mei en juni. Iedere week twee dagen, van dinsdag tot donderdag. Op een middag zat ik op een pleintje op Vlieland op de boot te wachten toen ik ineens Wiebe van der Honing langs zag flitsen. Ik riep hem, hij kwam naar me toe, een beetje geheimzinnig, leek het. "Wat doe jij hier Wiebe?" vroeg ik hem.
"Nou, ik volg hier een cursus, een cursus KOKEN ZONDER PANNEN…"
"Ja hoor, zo kan-ie wel weer, Wiebe!"