Raak ik door technologische ontwikkeling mijn hobby kwijt?

Door: Nico Vens

Mijn hele leven lang heb ik door de natuur gestruind . De laatste vijftig jaar ging het struinen over in inventariseren en daarmee veranderde het in "nuttig veldwerk". Helaas , het bureauwerk dat ermee gepaard ging, was een noodzakelijke bijkomstigheid . Maar ik had het er voor over, zolang ik maar vaak het veld in kon trekken. Vandaag de dag is het bureauwerk door de digitalisering een stuk makkelijker geworden… en nu dreigt deze ontwikkeling het veldwerk over te nemen. Gaat mijn smoes om me in het veld terug te trekken nu verloren?

Natte sokken

Als jongetje woonde ik in de Zuid van Wormerveer, letterlijk onder de rook van de zeep en oliefabrieken, maar ook te midden van weilanden en slootjes. Een prachtig speelterrein, waar we kopra pikten en hutten bouwden in de rietvelden van de braakliggende fabrieksterreinen. Een verlaten schuilkelder uit de oorlog, toentertijd bedoeld voor het fabriekspersoneel, bevond zich eveneens op ons speelterrein.
In de slootjes om ons huis ving ik stekeltjes, salamanders en pikzwarte en geelgerande waterkevers.
Bijna iedere dag natte sokken.
Ook het Herderskindpand behoorde tot mijn habitat. Over dit pad was het mogelijk – zonder bootje – om een kilometer diep het Guisveld in te trekken, een kilometer lang langs rietkragen met in het voorjaar de zingende rietvogeltjes. Je kon zó in de nesten van de meerkoeten en de wilde eenden kijken. Boven de natte weilandjes buitelden de kieviten en tuukten de tureluurs met hangende vleugels. In de herfst zag je watersnippen, zigzaggend voor de wandelaar op de vlucht uit de baggerrandjes. Ik had rietorchissen en zonnedauw ontdekt… en ik droomde van een bootje waarmee ik nog verder in het veld kon doordringen.

Op heterdaad betrapt

natuurverzamelingVoor en na schooltijd en in de schoolvakanties hielp ik in de Enge Wormer, de Eilands- en Schaalsmeerpolder en in het Guisveld mee als boerenknechtje en melkertje. In die tijd wilde ik ook boer worden… als ik maar buiten kon zijn.
Op mijn tochten door de natuur vond ik altijd dingetjes en al die dingetjes groeiden uit tot een heuse verzameling. Kleine schedels, veren, schelpen en stenen, al dat soort spulletjes nam ik mee van het strand, het bos en uit het veld. De hele verzameling lag uitgestald op zolder: mooi, al die uitgeblazen eieren.
Door die eieren maakte ik voor het eerst kennis met de vogelwacht: ik werd, al eieren zoekend, op heterdaad betrapt door een vogelwachter. Plotseling kwam de man met zijn jol achter het riet vandaan en ik was er gloeiend bij. Ik werd gesommeerd om de eieren in de nesten terug te leggen en ik kreeg "voor deze keer" nog net geen bekeuring.

Jachtbuit

Tja, ondanks dat ik wel een beetje een kwaad geweten had, vond ik (met name omdat ik betrapt was door de vogelwachter) de vogelwacht geen leuke club. Weliswaar ging ik somtijds met een vriendje mee naar een film van Jan P. Strijbos, maar het heeft jaren geduurd voordat ik eigenlijk kennismaakte met de vogelwacht: omstreeks 1970 ben ik lid geworden van de vogelwacht.
Daar, op de vogelwacht, kwam ik Koos Jonker tegen, die me leerde hoe je broedvogels dient te inventariseren. Zo veranderde mijn struinen en eieren zoeken in het systematisch verzamelen van waarnemingen.
Onderwijl had ik een eigen jol en met een beetje vet op de dollen kon je geruisloos kriskras door het veld roeien: door schade en schande wijs geworden…
Observaties doen, het heeft iets weg van vissen of jagen, het biedt je een "smoes" om naar buiten te gaan en je jachtbuit… bestaat uit waarnemingen.

Het ongelijk van de thuisblijvers

Altijd weer als ik er 's morgens vroeg met de jol op uit trek, gewapend met kijker, koffie en een broodje, ga ik geheel op in de Zaanse natuur met al zijn stemmingen en kleuren. Een groot deel van de horizon wordt gevormd door het silhouet van dorpen, de molens van de Zaanse schans – met de fabriekswand als groot contrast.
Iedere keer dat ik veldwerk had verricht, al die jaren, viel me altijd wel weer iets nieuws op: je blijft je verwonderen. Zelden heb ik spijt gehad dat ik vroeg ben opgestaan, telkens bleek weer het adagium: 'Thuisblijvers hebben ongelijk'.

De tijd van het oude notitieboekje

Inmiddels ben ik bijna een halve eeuw met inventariseren bezig. In het begin ging dat volgens de perceelmethode; met een topografische kaart was je in het veld telkens in staat om de plaats en het perceelnummer bepalen. Alle soorten die broed- of territoriumgedrag vertoonden, werden in een notitieboekje per perceel geturfd. Aan het eind van het seizoen diende je dan de totalen per soort op een verzamelformulier te noteren.
In de loop van de tijd is die methode, door de toename van ervaring en veldkennis, meer en meer ontwikkeld.
Met de komst van steeds geavanceerdere en beter toegankelijke kopieerapparatuur werd het mogelijk dat ik bijna onbeperkt over kaartmateriaal kon beschikken. In plaats van mijn notitieboekje dat ik tot dan toe voor de perceelmethode had gebruikt, noteerde ik nu al de waarnemingen op topografische werkkaartjes, met ondersteuning van de codelijst van het EOAC (European Ornithological Atlas Committee).
Vanaf circa 1996 werd in het Broedvogel Monitoring Project door Sovon een dergelijke methode toegepast.
Daarnaast ben ik steeds meer aanvullend onderzoek gaan doen ter ondersteuning van beheer en bescherming.

De tol van het veldwerk

Een nadeel van al dat veldwerk is dat het veel bureauwerk oplevert, zeker niet mijn hobby, maar wél noodzakelijk: met de uitgewerkte gegevens kunnen de beheerders en beleidsmakers toetsen wat de effecten van het beheer zijn en welke corrigerende maatregelen er eventueel genomen moeten worden.
Ik beschouw het maar als een soort tol die ik moet betalen om het veldwerk te mogen doen.
Gedurende mijn eerste jaren was het rapporteren nog volledig handwerk. De jongeren onder ons zullen het zich nauwelijks nog voor kunnen stellen: rekenwerk, staartdelingen maken en zo, gewoon met de hand, gebruikmakend van het ezelsbruggetje Meneer Van Dalen Wacht Op Antwoord om het gemiddelde aantal vogels per hectare te berekenen enzovoorts.
Ja, met handgeschreven teksten!
Mijn eerste schrijfmachine, in 1978, was een hele aanwinst.
En vervolgens zou het geruime tijd duren voordat de personal computer voor privégebruik voor een ieder binnen handbereik kwam, in eerste instantie slechts als tekstverwerker maar later ook voor het maken van statistieken, grafiekjes en tabellen en het bewerken van kaartjes.

Mijnheer Stip

In de loop van de tijd werd het rapporteren van de veldwaarnemingen professioneler naar mate de grafische en reproductiemogelijkheden zich verder ontwikkelden.
Toen ik laatst mijn oude verslagen nog eens doorbladerde, viel me aan de vorm en lay-out van de rapporten op, in welke sterke mate die technologische ontwikkeling zich heeft voltrokken.
Vanaf 2003 heb ik voor de verslagen van 'De broedvogels in het Wormer- en Jisperveld' gebruik gemaakt van de computer van Natuurmonumenten via het natuur- en landschapsinformatiesysteem.
Per inventarisatie moest ik tussen de 6000 en 8000 stippen invoeren: op kantoor bij Natuurmonumenten werd ik mijnheer Stip genoemd.

Angstbeeld: virtuele natuur

Heden ten dag ontwikkelt de digitalisering zich wel in een heel erg snel tempo: niet alleen verlicht het de bureaubeslommeringen maar neemt ook het veldwerk over. Via de smartphone is het nu mogelijk on je waarnemingen in een landelijk systeem te zetten, maar mijn verwachting is, dat ook dit snel overbodig zal zijn.
In het Vakblad Natuur, Bos en Landschap las ik een artikel 'Drones voor natuurbeheer'. Met drones is het nu al mogelijk om kartering te maken van vegetatietypen en vochtgradiënten. Met infrarood licht kunnen warmbloedige dieren worden gespot.
Misschien dat het herkennen van soorten in het begin nog wat moeilijkheden zal geven, zodat daar nog een vogelaar aan te pas moet komen, maar dat lijkt slechts een kwestie van tijd.

Nieuwe smoes

Nico Vens in bootje

Nico Vens in zijn geliefde veld

Jammer, als deze ontwikkelingen doorzetten dan zal de romantiek van het veldwerk drastische veranderingen ondergaan. Natuur-beleven wordt een virtuele aangelegenheid, natuur beleef je op je beeldscherm.
Ach, ik ben nu ongeveer net zo oud als de vogelwacht, dus het zal misschien mijn tijd nog wel uithouden?!
Wellicht zal ik straks een nieuwe smoes moeten verzinnen om nog regelmatig het veld in te kunnen trekken...!