Roodkeelpieper

Door: Peter Rozemeijer

Amper een half uurtje geleden ben je opgebeld door een goede vriend die je enthousiast meldt: "Hij zit er nog hoor! Prachtig!" En als jij dan even later komt aanlopen, moet je vernemen dat vijf minuten daarvoor een wandelaar met een grote herdershond de hele boel heeft opgejaagd.

Ja, soms zit het wel eens een beetje tegen in het leven. Dan moet je bijvoorbeeld de trein halen, heb je de Zaanbrug tegen en sta je even later, nog nahijgend, op het perron naar de rode achterlichten van het laatste treinstel te staren. Of je hebt een sollicitatiegesprek. Je besluit er op de fiets naartoe te gaan. Maar wat een pech, je ketting loopt eraf en welke oplossing je ook kiest, het is nooit de goede. Verder lopen? Dan kom je te laat! De ketting er weer opleggen? Dan kun je met goed fatsoen niemand meer een hand geven.
En doen dit soort "dramas'" zich in het leven van de vogelaar wel eens voor? Natuurlijk! Velen van ons kennen het gevoel van een mooie waarneming die je nét bent misgelopen.

Wensvogels

Dit verhaal gaat over een ander soort van "missen". Begin jaren tachtig stak een aantal vogelaars van de Vogelwacht Zaanstreek de koppen bij elkaar, met het plan om gedurende een aantal jaren, héél gericht en zo nauwkeurig mogelijk, de zichtbare vogeltrek over de Zaanstreek vast te gaan leggen. Ter voorbereiding op deze activiteit werd een eerste bijeenkomst belegd, bij mij thuis, in Wormer. Koos Jonker, Lex Brinkman, Nico Vens, Syb de Witte en ik bogen ons over een kaart van de Zaanstreek en tezamen tekenden we een viertal telposten op de kaart in. We spraken af om halverwege september te beginnen met tellen, wekelijks, tot half november. Verder kwamen we overeen dat we zouden tellen vanaf een half uur voor zonsopkomst tot drie uur daarna.
Nadat er enkele aanvullende afspraken waren gemaakt, werd er nagetafeld en gefilosofeerd over welke vogels er mogelijk door ons gezien zouden kunnen worden. Koos vermaakte de aanwezigen met spannende verhalen over zijn belevenissen in Oost-Turkije, waar hij kort daarvoor met een aantal leden van de vereniging naartoe was gereisd. En Lex Brinkman, altijd uit op het zien van bijzondere soorten, opperde de mogelijkheid dat we nu eindelijk eens de waarneming van een grote pieper, heel misschien zelfs wel van een roodkeelpieper, in ons werkgebied zouden kunnen vastleggen: "Er worden er ieder najaar zoveel gezien, waarom dan ook niet eens een keertje bij ons?" Na deze hartenkreet greep ik naar een grammofoonplaat, legde die op de draaitafel en liet de huismusachtige vluchtroep van een grote pieper en vervolgens de scherpe "bie-iess"-roep van de roodkeelpieper horen. Tja, dat moet toch kunnen, dachten en hoopten we allemaal.

Verrassende resultaten

Graspieper

Graspieper; ©Kees de Jager

De tellingen werden een groot succes. We werden bijgestaan door Ron van de Hut, Piet Kan, Martien Roos en – op incidentele basis – door andere leden van de vereniging. (Vergeef mij dat ik hun namen niet meer paraat heb.) We hielden het een paar jaar vol en de resultaten gaven mooi een beeld van de zichtbare vogeltrek over de Zaanstreek. Sommige resultaten waren reeds min of meer bekend, en werden dan door onze tellingen bevestigd, met onze zeer gedetailleerde waarnemingen, met precieze aantallen. Dat de graspiepertrek in de laatste decade van september begint, de laatste tien dagen van de herfstmaand, dát wisten we natuurlijk al, maar níet dat het soms om zulke enorm grote aantallen ging: duizenden!
Wat we bijvoorbeeld niet wisten, was dat een soort als de ijsgors een regelmatige doortrekker bleek te zijn in oktober en november. Natuurlijk niet in grote aantallen, maar bij gunstig trekweer waren ze altijd wel van de partij. Terwijl we vóór onze tellingen in de veronderstelling waren dat de ijsgors maar een zeer zeldzame verschijning in de Zaanstreek was.
Daarnaast stelden we vast dat van zichtbare houtduiventrek in de Zaanstreek nauwelijks sprake was. We waren ermee bekend dat er in het oosten van het land soms duizenden langs bepaalde trekposten kwamen. Wij daarentegen hadden er op onze tellingen hooguit enkele tientallen waargenomen.
In 1984 waren we getuige van een enorme zichtbare kievitentrek, nee, géén vorsttrek. Begin november gingen er gedurende onze drie uur durende telling duizenden over bij onze telposten, strak richting zuid. Een fascinerend spektakel.
De resultaten van onze tellingen werden ieder jaar in een nummer van ons verenigingsblad, toen nog onder de naam "De Grutter", gepubliceerd.

Welke jager?

écht bijzondere soorten lieten zich jammer genoeg niet optekenen. Wel herinner ik mij een luid roepende appelvink die begin oktober pal over de hoofden van mij en een verbaasde Piet Kan heen vloog. En een klein troepje kleine en krombek-strandlopers, dat laag langs onze telpost vloog.
Tijdens de telling van begin november 1985 zagen Syb de Witte en Lex Brinkman bij de telpost dichtbij het Alkmaardermeer een jager langs vliegen. Grote, middelste, kleine? De vogel was te ver weg was om op soortnaam gebracht te kunnen worden. Wat we op dat moment niet wisten – er waren toen nog nauwelijks mobieltjes, laat staan smartphones, en zeker geen sociale media – was dat er in oktober en november van dat jaar een enorme invasie van middelste jagers langs de Hollandse kust plaatsvond, soms wel met honderden op een dag. Dus zou dit best een middelste jager geweest kunnen zijn, een zeer zeldzame verschijning in de Zaanstreek.
Ach. Helaas. Géén spannende leeuweriken, geen gorzen, geen roofpieten, kwikken of piepers en dus ook niet de door Lex Brinkman gedroomde grote of roodkeelpieper. Ternauwernood gemist, maar voor dat verhaal moet ik teruggaan naar die speciale dag in oktober 1987, 18 oktober 1987 om precies te zijn…

Heksenketel

Samen met Koos Jonker zou ik de telpost bij de Schaalsmeer gaan bemannen, zo was de bedoeling, maar Koos had zich om goede, begrijpelijke redenen de avond ervoor bij mij afgemeld. Dus stond ik alleen voor maar dacht dat dat me wel zou lukken.
's Morgens in alle vroegte, om kwart over zes, stapte ik in mijn jolletje om naar de post te roeien. Het was onbewolkt, zacht weer, er stond een zwak zuidenwindje: prima trekweer! Het was nog donker, toen ik al roeiende de kleine roep van trekkende zangvogels hoorde. Niet alleen de bekende nachtelijke geluiden van zanglijsters en koperwieken, maar ook de "roepjes" van graspieper, vink en rietgors. O jee, het leek een teken aan de wand: al die vogelgeluiden, zó vroeg, nog in het pikkedonker, dat had ik niet eerder meegemaakt.
Die ochtend zou het op de telpost een heksenketel worden. Het leek net alsof iemand ergens in Scandinavië de sluizen had opengezet en er een stroom aan zangvogels op Nederland werd losgelaten: rietgorzen, vinken, kepen, kneuen, veldleeuweriken, witte kwikken, spreeuwen, maar bovenal graspiepers, héél veel Graspiepers, vlogen langs. Af en toe vergunde ik het mij om met de verrekijker wat verder te speuren dan binnen de beperkte cirkel rond de telpost, en zag ik dat de trek zich over een enorm breed front over het veld afspeelde. Overal zag ik kleine groepjes zangvogels, waarschijnlijk voornamelijk graspiepers, die zich zuidwaarts uit de voeten probeerden te maken, het moeten er die ochtend tienduizenden zijn geweest!

Smeekbede

Ik had het nauwelijks allemaal kunnen bijhouden: kijken, determineren en noteren. En tussen al dat geweld bevond zich ook nog een ijsgors, een oeverpieper, een troepje fraters, wat roeken, een late bosruiter en een smelleken-vrouwtje dat kennelijk had besloten samen met haar maaltijd mee te vliegen. Maar ach, tot mijn teleurstelling, ondanks deze fantastische trekdag, opnieuw geen grote pieper, geen roodkeelpieper. Met kramp in de vingers van het noteren kon ik om kwart voor tien de telling beëindigen, hoewel het met overvliegende vogels nog lang niet was gedaan.

Roodkeelpieper

Roodkeelpieper; ©Kees de Jager

Ik besloot nog een rondje door het veld te roeien… en nauwelijks had ik de telpost verlaten, toen een groepje van acht piepers, laag over het weiland vliegend, recht op mij af kwam en pal over mij heen vloog. Ai!! Tot mijn schrik hoorde ik ineens, tussen de trekroepjes van de graspiepers door… de zo kenmerkende roep van een heuse roodkeelpieper. Tot drie maal toe herhaald! Onmiskenbaar: dát voorjaar was ik in Eilat geweest en had daar flink kunnen oefenen op dit roepje.
Toen ik eenmaal de waarneming had genoteerd in mijn veldboekje, moest ik denken aan de smeekbede van Lex Brinkman. Wat jammer nou voor hem! Een roodkeelpieper! Ach, na vele honderden uren te hebben zitten tellen, hadden we m op het nippertje gemist… op een half uurtje.