Van Grutter en Kieft naar Grauga en Grozil

Door: Jan van der Geld

Wie zo'n 40 à 50 jaar geleden vogels keek, was doorgaans lid van een vogelwacht of een vogelwerkgroep. Immers, de vogelaar van toen keek niet alleen graag naar vogels, maar maakte zich tevens zorgen over de toekomst van de vogels en ontplooide daartoe in diverse verenigingen activiteiten rond de bescherming van vogels door middel van broedvogelinventarisaties, het ophangen van nestkastjes, ringonderzoek, planologie en voorlichting, om maar een paar zaken te noemen.

In het oorlogsjaar 1943 werd in de Zaanstreek een vogelbeschermingswacht opgericht. Een vereniging die "beschermt" en "wacht", ja, dan moet het met de vogels wel goed komen, zou je denken. Nu, 75 jaar later, lijkt een gepast moment om daarover de balans maar eens op te maken.

Grote gevolgen voor Zaanse natuur

Anders dan in andere delen van het land, was de Zaanse natuur niet in handen van natuurbeschermingsorganisaties, maar veelal particulier bezit van de toen nog talrijk aanwezige veehouders, de boeren. De graslanden van deze boeren zaten vol weidevogels en de grootste bedreiging in de oorlogsjaren was, dat mensen zich vergrepen aan de talrijke eieren. Na de oorlog werd vooral het intensieve graslandbeheer door de boeren hét probleem voor de weidevogels, ook al was dat niet overal duidelijk zichtbaar. De in de natte vaarlanden werkzame Zaanse boeren probeerden, net als vele anderen, hun steentje bij te dragen aan het vergroten van de welvaart. Dat had, naar later zou blijken, grote gevolgen voor de Zaanse natuur.

Grutto en Kievit

Grutter en kieft waren in vroegere jaren talrijk voorkomende weidevogels (foto's: ©Jan van der Geld)

Na 1960 zagen Zaanse vogel- en natuurbeschermers de weidevogels snel in aantal afnemen en zij waren van mening dat de natte veenweiden beter af waren in handen van de natuurbescherming. Met de groei van de economie kreeg de natuur na 1970 gelukkig meer aandacht en middelen om beschermd te worden; natuurbeschermingsinstanties realiseerden aankoop en beheer van terreinen. En toch ging het vervolgens, op een enkele plek na, helemaal niet zo veel beter met de weidevogels. Het bleek een probleem dat veel weidevogels in het grasland van de boer broedden, of in het grasland van de natuurbeschermingsorganisatie, dat werd beheerd door de boeren. Broeden in graslanden, dat lijkt volstrekt normaal, maar ondertussen zagen we wel dat de boeren steeds intensiever hun graslanden gingen beheren… en dat bleek de weidevogels slecht te bevallen.

Aan het kortste eind

Over ander en beter beheer voor de weidevogels is in de afgelopen 40 jaar veel gesproken, maar al met al heeft dat niet veel opgeleverd. In de praktijk is het intensieve beheer gewoon voortgezet en is vooral geprobeerd om maatregelen voor de natuur en de weidevogels in te passen in het gangbare beheer. Tientallen jaren verder blijkt de landbouwlobby sterk gegroeid en weten de boeren precies wat ze willen: namelijk veel en op een voor hen economisch profijtelijke manier voedsel produceren. Natuurliefhebbers blijken sterk verdeeld over wat het beste is voor de weidevogels. Vaak verwachten ze dat boeren bij hun werk goed, op natuurlijke wijze en weidevogelvriendelijk produceren. En helaas, dat blijkt niet zo te zijn, waardoor de weidevogels aan het kortste einde trekken. De ongelooflijke rijkdom aan vogels in de jaren 1930-1950 heb ik nooit met eigen ogen mogen aanschouwen, maar toen ik in 1971 in de Zaanstreek kwam wonen waren er nog steeds veel weidevogels. Ik begreep dan ook goed dat het verenigingsorgaan van de Vogelwacht "De Grutter" heette. Vele jaren later werd die naam veranderd in "De Kieft". Ik heb die verandering nooit goed begrepen: was de Grutter toen al zo'n zeldzame verschijning geworden dat hij niet meer als boegbeeld kon dienen? In dat geval mag gevreesd worden dat ook "De Kieft" gaat verdwijnen…

Beschermingsmoeheid en veranderend taalgebruik

In 75 jaar tijd is er veel veranderd. Het Zaanse grasland is nog steeds groen, maar de vogelpopulatie is gewijzigd. De weidevogels zijn sterk in aantal afgenomen of zelfs geheel verdwenen. Daarvoor in de plaats kregen we grauwe ganzen en grote zilverreigers. Ook de vogelaars en natuurbeschermers zijn veranderd, ze hebben last van "beschermingsmoeheid" gekregen. Ze zeggen: "Tja, het is zoals het is, wat kunnen wij er nog aan doen?" Of: "We hebben ons best gedaan, maar het is niet gelukt." Of: "Met de weidevogels is het niet gelukt, maar met de grote zilverreiger gaat het goed, dan gaan we toch ons uiterste best doen voor die vogel."(!) Tegenwoordig broeden de laatste weidevogels vooral nog in natuurgebieden, daarbuiten is het oorverdovend stil geworden. Het tellen van vogels, en daarmee het beschermen van vogels, staat op een laag pitje. Er valt ook veel minder te tellen natuurlijk. Maar we blijven wél naar vogels kijken. Met een Swarovski-kijker om de nek, digitale fototoestellen in de hand en iPhones, met Wi-Fi en alle denkbare apps, in de zak, zoeken we stad en land af naar vogels. We doen uitgebreid verslag van onze waarnemingen op Facebook of Twitter en gunnen andere vogelaars dan ook een bijzondere score. En… we hebben ons taalgebruik aangepast: tegenwoordig zie we vooral grauga’s en grozils.

Grauwe Gans en Grote Zilverreiger

Grote zilverreiger en grauwe gans zijn de nieuwe weidevogels geworden (foto's: ©Jan van der Geld)

Ik mis ze zo…

Als we geen vogels meer in de buurt vinden, maken we verre reizen naar het buitenland. Voor- of najaarslezingen over buitenlandse bestemmingen zijn dan ook zeer in trek bij de Zaanse vogelaars. De zaal zit dan vooral vol met grijze haren; jonge mensen vinden de vogels vooral op het internet. Na 75 jaar kijken we dus nog steeds naar vogels. Een oudere vogelwachter zei laatst tegen mij: "Weet je, Jan, het is niet meer zo leuk als vroeger, maar zolang er nog iets vliegt, ga ik er op uit om vogels te kijken." En ik? Ik ga zoveel mogelijk op reis, de vogels achterna. Ik vind het hier niet meer zo leuk, ik mis ze zo, al die grutters en kieften…