Standpunt bestuur inzake wandelpaden in natuurgebieden

door Frits Schuster,
voorzitter Vogelbescherminsgwacht "Zaanstreek"
12 januari 2009

Van tijd tot tijd ontvangt het bestuur van de Vogelbeschermingswacht "Zaanstreek" vragen over de plannen om te komen de aanleg van wandelpaden in of nabij beschermde natuurgebieden.

Kort samengevat komt het standpunt van het bestuur er op neer dat de aanleg van paden in / langs natuurgebieden in de regel als schadelijk moet worden aangemerkt voor de natuurwaarden die in dat gebied aanwezig zijn en om die reden dus in beginsel afgewezen moet worden.

Anderzijds is er het gegeven dat er voor de bescherming van dergelijke natuurgebieden ook voldoende draagvlak gegenereerd moet worden onder de bevolking. De aanleg van paden als hier bedoeld kan dan een middel zijn om dit draagvlak te vergroten, doordat meer burgers zo in de gelegenheid worden gesteld van die natuur(-waarden) persoonlijk kennis te nemen.
Duidelijk een kwestie dus van botsende belangen.

In dit verband is van belang dat ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 een vergunning is vereist voor het verrichten van handelingen (zoals bijvoorbeeld de aanleg van een wandelpad) in of in de buurt van het betreffende natuurmonument, wanneer die handelingen "significante" gevolgen kunnen hebben voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor dieren of planten die benoemd zijn in een aanwijzingsbesluit.

Die vergunning wordt door gedeputeerde staten van de provincie (al dan niet) verleend. Zij kan en mag alleen verleend worden indien uit een toetsing van het plan blijkt dat er géén sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betreffende natuurgebied, dan wel als er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang (art.16 Natuurbeschermingswet).

Resumerend betekent dit dus dat het bestuur het standpunt deelt dat de aanleg van paden in / nabij gebieden die vanwege de geconstateerde natuurwaarden een beschermde status hebben verkregen het zeer grote risico met zich meebrengt dat dit ten koste zal gaan van die natuurwaarden en om die reden afgewezen dient te worden.

Alleen indien het mogelijk blijkt bij de uitvoering van het werk zodanige maatregelen te nemen dat die bedreigde natuurwaarden daardoor voldoende worden beschermd komt dit anders te liggen. Dit zijn zaken die bij de toetsing van het plan door de provincie aan de orde zullen moeten komen. Dit laat onverlet dat wanneer de aantasting van die natuurwaarden onvoldoende voorkomen kan worden de vereiste vergunning door gedeputeerde staten dan slechts (maar toch) verleend kan worden indien sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang.

Tenslotte is hier nog de opmerking op zijn plaats dat de Vogelbeschermingswacht "Zaanstreek" al eerder in een adviserende rol betrokken is geweest bij de aanleg van wandelpaden in een natuurgebied. Goed voorbeeld daarvan is het laarzenpad dat loopt vanaf het Zaans Museum naar de Kalverringdijk. In vergelijking met de eerste opzet van dat plan is de route juist vanwege de te beschermen natuurwaarden op verschillende punten aangepast. Bovendien zijn er bij de definitieve uitvoering van het pad zodanige fysieke maatregelen getroffen dat het bewandelen van het pad in het broedseizoen feitelijk onmogelijk wordt gemaakt.